zondag 22 januari 2012

'Ik' (deel 9)

Het einde van de vakantie was aangebroken en ik was ingeschreven in het SJIB of in langere woorden 'Sint-Jozefs Instituut Betekom'. De eerste dag was ik nerveus. Ik had die bekende angst dat ik er niemand zou kennen en toen ik er aan kwam leek dat ook zo te zijn. Niemand die zei: 'Heeey Arne, zit je hier ook?!'.
We werden allemaal naar binnen geroepen omdat de naamlijsten van de klassen afgeroepen zouden worden.
Er was toch iemand die ik kende van vroeger op Bekaf, Niel. Ik was zo blij als wat en ik kon zien dat hij in dezelfde situatie zat als ik, geen bekenden.
Hij bleek twee straten van mij te wonen, dus fietsten wij altijd samen naar Betekom en van school terug naar Aarschot.
We hadden gekozen voor STW-Sociaal Technische Wetenschappen, een richting waarvan ik U nu al zeg dat die op niets trekt.
In dat jaar werd ik uitgeroepen tot de knapste en grappigste jongen van het gebouw. SJIB bestond namelijk uit één gebouw met het eerste en het tweede middelbaar en uit een ander gebouw met het derde tot het zesde middelbaar. Ten eerste wist ik niet eens dat er verkiezingen geweest waren, ten tweede was ik alleen trots op het feit dat ik de grappigste was. De knapste, dat begreep ik niet.
In het derde middelbaar kwam Jolientje ook in het SJIB terecht, mijn vriendinnetje van in de kleuterschool.
Het jaar daarop studeerde ik me te pletter, want ik wou van die school weggaan. Op een dag riep mijn moeder me bij haar en liet me een site zien over tandtechniek.
In die periode schilderde ik zo'n kleine ventjes en toen ik die site over dentaaltechnieken zag, leek het precies hetzelfde te zijn...kleine dingen maken. Het sprak me aan en ik besloot dat ik die richting wou proberen. Je kon hem al beginnen in het vijfde middelbaar en alles goed zou gaan zou ik op mijn negentiende al afgestudeerd zijn. Dus ik studeerde en studeerde. Mijn hoofd leek soms te ontploffen, maar ik haalde op het einde van het jaar wel goede punten. Weg SJIB, vaarwel.



maandag 16 januari 2012

'Ik' (deel 8)

We vertrokken in de grote vakantie en toen we aankwamen in Brisbane, had ik niet dat "Wauwgevoel" waarvan je hoopt dat je het wel krijgt op reis in het buitenland. Het was gewoon een drukke stad, net zoals Aarschot. Zo bekeek ik het eerst, maar die gedachte was natuurlijk helemaal fout.
Toen we de stad uitreden was het land prachtig en het voelde er ook anders aan. Misschien was het gewoon de warmte die aangenaam aanvoelde, toch voelde ik nog iets anders. Wanneer ik hier in België rondloop heeft het een drukke sfeer op mij, die stress veroorzaakt in mijn lichaam. Daar leek al die stress direct verdreven te worden.
De mensen waren er vriendelijk en wanneer ze vroegen hoe het met je ging voelde dit anders aan dan in België.
"Wacht maar af!", zei mijn vader. "Dit is nog maar het begin. We zijn nog niet eens in de Outback!"
We waren er een maand gebleven en de gedachte die toen door mijn hoofd ging terwijl we opstegen met het vliegtuig was: 'Hier kom ik zeker nog terug! Met of zonder mijn ouders!'




maandag 9 januari 2012

'Ik' (deel 7)


Inmiddels waren we verhuisd. We hadden een stuk grond gevonden in Aarschot. Op die grond staat het huis waar ik nu in zit.
Weet je nog die vreemde dromen die ik had? Toen we dat huis in Ramsel verlaten hadden, heb ik die nooit meer gehad. Eigenlijk heb ik er maar één meer gehad hier in Aarschot.
Ik droomde dat ik in een kamer van een ziekenhuis stond, vlak voor een bed. Alles was zwart-wit en onscherp zoals in een oude B-film. Uit dat bed kwam iemand op me afgesprongen. Enkel zijn groot hoofd en zijn armen had ik kunnen zien. Daarna werd ik wakker. Sindsdien droom ik enkel nog dingen waar geen enkele logica in zit. En als ik iets droom waar zelfs een verhaal in zit, vergeet ik het direct als ik wakker word. Dan denk ik: 'Wow! Dit ga ik onthouden', al weet ik dat je dromen sowieso vergeet. Dat was nooit gelukt bij mij. Enkel de nachtmerries bleven over.
Mijn eerste communie heb ik gedaan, mijn vormsel niet. Dat had ik normaal gezien ook gedaan, maar in die periode ging het niet zo goed meer met mijn bompa. Doordat ik vaak mee naar het ziekenhuis moest, miste ik vaak dagen dat ik er moest zijn bij de voorbereidingen van mijn vormsel. Eén van die dames had gezegd dat als ik nog één keer een voorbereiding zou missen, ik mijn vormsel niet meer mocht doen. Die avond heeft mijn moeder haar opgebeld en gezegd dat ze mij mocht uitschrijven.
Toen mijn ouders enkele dagen later terug kwamen van het ziekenhuis, zeiden ze dat mijn bompa gestorven was. Ik herinner me nog één ding duidelijk van hem. Toen we daar buiten aan het spelen waren, riep hij ons  en stond hij aan de deur te wachten met een Milky Way voor elk van ons.
Het laatste jaar van zijn leven lag hij in een ziekenbed in de woonkamer. Praten kon hij niet meer, alleen maar gebaren maken. Hij had een belletje waarmee hij kon rinkelen als hij iets wou hebben.
Een week later kwam de directeur de klas binnen. Hij zei dat elke mens wel tientallen keren moest horen wanneer een naaste was gestorven. Toen hij weg was, kwam de meester naast mij zitten. "Waarom had je hier niets over gezegd?", vroeg hij me. "Het is al wel een week geleden, hé meester!", heb ik toen geantwoord.
Het eerste middelbaar was de eerste stap in de werkelijkheid. Koen en Jo gingen naar een andere school. Ik bleef op Bekaf, maar ging naar het Sint-Jozefscollege. Dat lag vlak naast de lagere school. De klassen waren niet meer licht van kleur, maar donker en kaal. De leerkrachten waren ook niet meer zo vriendelijk of hielpen minder. Op het einde van dat jaar mocht ik niet overgaan naar het tweede omdat ik gebuisd was voor Wiskunde. Ofwel deed ik mijn jaar opnieuw, ofwel zakte ik af naar het TSO. Ik was er werkelijk blij mee dat ik daar weg mocht. Dat jaar was niet echt zo een plezier geweest.
Dat was het einde van het eerste middelbaar. Was ik daar blij om!
Vooral omdat we toen naar Australië gingen.






donderdag 5 januari 2012

Laatste exemplaren 'Ik ben.'

Via deze blog willen we de allerlaatste exemplaren van Arne's gedichtenbundel 'Ik ben.' aanbieden.
Er zijn nog 5 hardcovers te koop aan 30€ en nog 10 paperbacks aan 20€.
Wanneer deze verkocht zijn is het boek volledig uitverkocht!
Geinteresseerden nemen contact op via tejokiesekoms@hotmail.com

'No Explanation' 1000x bekeken op YouTube

zondag 1 januari 2012

'Ik' (deel 6)

Ik nam afscheid van de kleuterschool en ging naar de lagere school Bekaf in Aarschot. Op die naam waren ze gekomen omdat een jager daar eens op een vogel had geschoten. De bek van het dier was er afgeschoten. Bek af.
We woonden toen nog steeds in Ramsel, al spaarden mijn ouders toen al voor een nieuw huis en moesten ze op zoek gaan naar een nieuwe grond.
Ik herinner me niet zoveel meer van de lagere school, al nam het zes jaar van mijn leven in beslag.
In het eerste leerjaar wou ik bevriend raken met mijn nieuwe klasgenootjes. Koen en Jo werden mijn dikke vrienden en bleven dat voor een lange tijd.
In de catecheselessen vroeg men ons om God te tekenen. Iedereen begon eraan en zoals je kon verwachten tekende iedereen een oude man met een witte baard in de wolkjes. Ik tekende een alien. De juffrouw vroeg me waarom ik zoiets had getekend. Ik zei tegen haar: "Als God de mens nog moest maken, hoe kon hij er dan als een mens uitzien?" Waarschijnlijk werd ik toen al als apart beschouwd.
Doorheen de jaren werd Koen mijn beste vriend. Ze moesten ons werkelijk uit elkaar zetten in de klas.
Er werd vaak over mij gezegd dat ik in de wolken zat. Ik was nogal een droomkopje en staarde vaak uit het raam naar buiten. Fantasie had ik zeker, ik was immers apart.
Eigenlijk zeggen veel kinderen rare dingen. Maar dat is omdat ze de wereld beschrijven zoals ze hem zien en ontdekken. De wereld is iets raar en je kan haast zeggen dat kinderen een zekere soort intelligentie hebben. Ze zijn niet zo makkelijk van hun stuk te brengen, omdat ze dat nog niet helemaal hebben aangeleerd. Ze zien de wereld als één grote veilige plek.
Als je zegt dat kinderen die anders zijn ook "raar" zijn, dan is dat misschien zo. Alleen ben ik ervan overtuigd dat "anders" goed is. Kinderen die "anders" waren, waren dan ook mijn beste vrienden. Je had ook "normale" kinderen, maar die waren zo saai.



donderdag 29 december 2011

'Ik' (deel 5)

Ik hield dan misschien niet van honden. Maar katten, daar was en ben ik dol op. We hebben er vijf gehad in mijn jonge jaren. Eén van de eerste, zoals je al weet, noemde Raisa. Tot die opeens spoorloos verdwenen was. Toen kwam Jimmy en daar zit nogal een vrij choquerend verhaal achter.
Jimmy was zo een lief klein katje, enfin je weet wel wat ik bedoel neem ik aan. Mijn zus hield van die kat en was altijd bang dat hij zou verongelukken of verloren zou lopen. Jimmy zelf miauwde altijd aan de deur om buitengelaten te worden en dat was nu net het gene wat Astrid niet wou. Ze nam hem vast en zei er tegen: "Nee, je blijft binnen!" en smeet hem terug richting de woonkamer. Ik zei richting de woonkamer, want dat was vast en zeker haar bedoeling geweest. Alleen vloog Jimmy helaas richting de tafelpoot. 'Krak.', zei het nekje van Jimmy. Zielig? Dat vind ik ook. Vooral omdat het nog eens een halve dag duurde vooraleer hij stierf. Stoute Astrid? Helemaal niet. Ze was er heel ongelukkig van en zelfs nu nog schaamt ze zich er dood voor.
Ook had mijn zus nog eens een goudvis gedood. Ze was bang dat die zou verhongeren en gaf hem daarom om het kwartier een zakje voedsel. Vissen vergeten nu immers alles na vijf seconden, daarom bleef die vis dus ook eten tot hij zichzelf had dood gegeten.
We hadden ook kippen, velen. Uiteindelijk gaven we ze aan Huize Eigen Haard, een rusthuis voor o.a. gehandicapten waar mijn papa werkt. Bij een overstroming gingen ze allemaal dood, verdronken. Ik vraag me af of kippen werkelijk zo dom zijn als men zegt dat ze zijn. Zouden ze hebben beseft dat ze aan het verdrinken waren? Ik hoop voor hen van niet.
Terug naar de katten. We hadden er nog drie. Willy, Pelle en Bambi.
Willy was een zwerfkat, mager en lichtgrijs met donkere strepen. Soms kon je hem aaien, maar het duurde dan niet lang of je eindigde met een paar schrammen in je gezicht.
Pelle was een kat van een patiënt van mijn mama. Ze is trouwens zelfstandig verpleegster, indien ik het U nog niet had gezegd. Die kat was een echte schoonheid. Dik, met een speciale donkergrijsblauwe vacht.
En we hadden dus ook nog Bambi, alias 'de Rosse van Osschot'. Na het ongeluk met Jimmy wou mijn zus een nieuw katje. Een lief klein poesje. Mijn ouders gingen kijken bij de dierenbescherming en vroegen of ze kleine katjes hadden. Terwijl de eigenaar hen liet zien welke hij had, was er steeds een rosse kat, die al volwassen was en die tegen hun benen kwam aanwrijven. Blijkbaar wou niemand die kat hebben.
Die dag kwamen mijn ouders dus thuis met een rosse kater, dik en allesbehalve schattig. Astrid was kwaad, ik was blij. Want dan had ik terug een kat waarop ik kon schieten met mijn speelgoedgeweertjes. Astrid noemde hem Bambi omdat ze die film heel mooi vond. Bambi en Pelle konden goed met elkaar opschieten. Willy kon met geen van de twee overweg.
Op een dag waren we bij moemoe en vava toen mijn mama ons kwam halen. Ze zei dat ze Pelle had zien liggen op straat en dat hij was doodgereden.